Improviseren moet (en je doet het nu niet goed)

Door Arjen Uittenbogaard

Dik 15 jaar geleden schreef ik de column De projectleider de regisseur in Informatie (*). Daarin vergeleek ik het werk van de projectleider met dat van een toneelregisseur. De old school projectleider was de regisseur van traditioneel teksttoneel, de agile projectleider regisseert improvisatietoneel. Misschien zou ik het nu niet meer over projectleiders hebben (maar over managers in het algemeen), maar in de strekking van het stuk kan ik me nog steeds vinden. Geïmproviseerde scènes zijn niet bedacht en ingestudeerd. Ze ontstaan ter plekke. Terwijl er gespeeld wordt voegt de regisseur waar nodig af en toe een suggestie toe, neemt soms een rigoureuze beslissing en geeft vooral de spelers het vertrouwen dat ze nodig hebben om tot mooie resultaten te komen. Dat vraagt lef, want elke interventie haalt de spelers even uit hun spel en het kan zijn dat zonder de ingreep het ook goed zou komen. Het vraagt ook vakmanschap. De regisseur moet weten wat een goed verhaal nodig heeft. Zij improviseert net zo hard, moet ook fouten durven maken en erop vertrouwen dat de spelers het kunnen.

Ik geloof enorm in de kracht van improvisatietoneel als oefening voor agile werken. Daarom wilde ik eens met een managementteam dat ik coachte een paar uurtjes aan improviseren besteden. De manager met wie ik dit idee besprak raadde het me af: “We zijn in deze organisatie veel te goed in improviseren. We zijn continu brandjes aan het blussen. Ga met deze oefening alsjeblieft niet bevestigen dat dit de gewenste handelswijze is!” Ik snapte precies wat hij bedoelde. Met veel kunst- en vliegwerk werden regelmatig gaten dichtgelopen, deadlines net gehaald en de allergrootste rampen voorkomen. Ze zouden het misschien niet zo hard toegeven, maar tal van managers waren op die plek terecht gekomen omdát ze zo goed waren in crisismanagement.

Is impro dan toch niet zo’n goede metafoor? Ik sprak hierover met Henk van der Steen van Troje. Hij is een geweldig improvisator én agilist pur sang (hoewel hij het zelf Rijnlands, of nieuw organiseren noemt). Hij kwam met het behulpzame inzicht dat die manager en ik het over twee soorten improviseren had. Dat brandjesblussen, noem het improvisatie 1.0, was er op gericht te redden wat er te redden valt. Het doel ervan was het behalen van de oorspronkelijke plannen en het in stand houden van de status quo. In een agile organisatie erkennen we dat dit niet alleen onwenselijk, maar zelfs onmogelijk is. Door vast te houden aan wat we gisteren bedachten doen we onszelf en onze klanten te kort. Natuurlijk maken we plannen, maar die zijn bedoeld als start van een verandering, niet als route waarvan niet meer mag worden afgeweken.

In een agile, of Rijnlandse, organisatie staat iedereen continu open voor wat er op dit moment nodig en mogelijk is. Dit vraagt om improvisatie. Improvisatie 2.0. Niet omdat we wel móeten, maar omdat we niet anders wíllen.


(*) Ik schreef in die tijd meer over agile werken en improviseren. Zie deze pagina.

Arjen Uittenbogaard

Arjen is verhalenverteller. Een training van hem is een ervaring die je niet licht vergeet. Hij is ook regisseur van improvisatietoneel. Dat vindt hij een mooie metafoor voor zijn werk in het coachen van teams en individuen in organisaties die meer agile willen worden. Want dat is zijn expertise: agile werken. Daar heeft hij al twintig jaar ervaring mee en daar is hij goed in. Zijn hart gaat uit naar de menselijke kant van het werk, naar de communicatie en de samenwerking. Daarbij weet hij alles van complexe adaptieve systemen: omgevingen waarin niets is wat het lijkt, waar best practices je op het verkeerde been kunnen zetten en waar je steeds zult moeten experimenteren en leren. Ook heeft hij nog steeds lol van zijn achtergrond in object georiënteerde softwareontwikkeling: hij mag ontwikkelaars graag uitdagen op hun ontwerpen en de toepassing van design patterns daarin.

06 - 59 443 440

Andere posts

Klik hier